Een zwaar tekort aan medicijnen, een verwaarloosd pand. Ik ging op bezoek in een vervallen vluchtelingenopvang in Sofia, Bulgarije, waar 800 mensen uitzichtloos hun dagen tellen.

Deel dit bericht:

Ik weet nog niet goed wat ik aan zal treffen als ik ‘s morgens vroeg, voorbij de overvolle vuilcontainers, op het centrale plein van het vluchtelingenkamp stap. Ik volg vandaag de Nederlandse Fotograaf Niels Wenstedt, die hier is om een fotoreportage voor Hollandse Hoogte te maken. Samen met een contactpersoon van het Rode Kruis zijn we net door de licht bewaakte hoofdingang gekomen. Op weg naar een inleidend gesprek met de waarnemend manager van de opvang, Ognyan.

Het vluchtelingenkamp dat we vandaag bezoeken is één van de drie vluchtelingenkampen rondom Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. Het drie verdiepingen tellende pand is aan de buitenkant matig onderhouden, de hekken die een omheining creëren voor een vervallen speelplaats, worden gebruikt als wasrek en afval ligt over het hele terrein. Vanaf de eerste stap op het terrein voel je de gespannen sfeer die er hangt. Waar ik eerst dacht dat deze een vijandige was, leer ik later dat dit wanhoop is.

De stank van ontlasting

Ognyan, de plaatsvervangend manager van Voenna Rampa, kijkt nors als wij zijn kantoor betreden. Als een overspannen gevangenisdirecteur uit hij zijn frustratie over onze komst, met onze tolk. Wat hem exact dwars zit zal ik nooit weten, maar na het ontvangen van wat feiten en regels van het kamp, kan onze rondgang beginnen. Als een waakhond gaat Ognyan met ons mee.

De staat van het pand, waar 800 vluchtelingen verblijven, is slecht.  Kapotte plafondplaten, kapotgeslagen muren en een constante stank van afval en ontlasting vult de gangen van het complex. In de eerste momenten van ons verblijf zijn het voornamelijk wantrouwende ogen die onze rondgang door het gebouw volgen, pas later op dag verandert het wantrouwen in wanhoop en word ik bedolven onder de helse verhalen van vluchten, gruwelijkheden en onzekerheid.

Dit gesprek heeft consequenties

Als ik Sirwan op straat tegen zou zijn gekomen, had ik waarschijnlijk oogcontact gemeden en was ik met een boogje om hem heen gelopen. De gespierde Irakees die illegaal in het vluchtelingenkamp verblijft, kijkt mij doordringend aan als ik zijn kamertje, dat hij met 3 anderen moet delen, binnenloop. Op een éénpitter achter me wordt primitief gekookt en de gang voor zijn kamertje stroomt al gauw vol met kinderen en hun ouders, die door beginnen te krijgen dat er ineens vreemden in het huis zijn.

Sirwan is bang, hij vertelt mij over de gruwelijkheden die hij onderweg is tegengekomen, de keren dat hij in elkaar is geslagen door de Bulgaarse politie en de angst om buiten het kamp te gaan, omdat hij het gevoel heeft dat hij ook daar doelwit is voor bewoners uit de buurt. ‘Ik ben bang dat ons gesprek zware consequenties voor me zal hebben’ zegt Sirwan tegen mij terwijl hij een gebaar maakt naar de interim manager Ognyan. Stiekem deel ik contactgegevens met hem en later vandaag zal ik via de Telegram app leren dat ons gesprek tot op heden geen negatieve consequenties heeft gehad.

Sirwan is over veel negatief, over de opvang zelf, het eten, de zorg en voornamelijk de onduidelijkheid. Hij vertelde mij dat zelfs een tijdelijke vluchtelingenlegitimatie nog niet is verstrekt aan hem. Ognyan, die ons gesprek hoorde, probeert het later te ontkrachten. ‘Hij heeft echt wel een ID gehad, ik heb het hem zelf gegeven. Het probleem is dat ze die ID’s verkopen voor 20 euro in het centrum van Sofia en dan hier terugkomen en zeggen dat ze het kwijt zijn, zo kan ik wel bezig blijven met pasfoto’s maken’

Wat ik niet mag zien

Terwijl mijn gesprek met Sirwan tot een einde komt, proberen diverse mensen die in de gang staan mijn aandacht te trekken. Kinderen omdat ze opleven als ze een camera zien, maar voornamelijk ook de ouders die me de echte ellende willen laten zien. De vloer in de gang waar we staan is smerig, de helft van de platen in het plafond is weg en het licht bungelt zwak schijnend aan een draadje van het plafond. De muren vol gaten zijn volgekalkt met teksten en tekens. Mensen proberen me te vertellen dat er ruimtes zijn waar twintig mannen op een zaal liggen, dat ook de gangen bezaaid zijn met matrassen om slaapplekken te creëren en dat de badkamers een ramp zijn. Ze proberen het te laten zien, maar dat wil Ognyan niet. Hij staat het simpel niet toe en heeft liever dat we de keuken gaan bekijken. Foto’s die ik later ontvang, bevestigen waarom. Dat gedeelte van het pand, de badkamers, is één grote ramp

Oma Fatima mist haar familie

Fatima (84) zit troosteloos op het puntje van haar hoogslaper, terwijl ze haar verhaal deelt. Fatima is met haar familie gevlucht uit Afghanistan en onderweg gevonden in een bos in Bulgarije en gescheiden van haar familie. Vreemden hebben haar nu in dit vluchtelingenkamp een soort van geadopteerd, ze heeft geen idee waar de rest van haar familie is, mogelijk zijn ze in Duitsland en Oostenrijk.

Geen medicijnen

Hij werkt hier nu drie jaar als dokter in Voenna Rampa. ‘Op sommige dagen behandel ik wel 60 patiënten, maar we hebben een probleem. Ik zit weer zonder medicijnen, veel kwalen kan ik niet behandelen’. Eerder leerde ik in een gesprek met onze contactpersoon van het Rode Kruis dat geld niet het probleem is ‘De Europese unie heeft vorig jaar ruim 4 miljoen beschikbaar gesteld, onder andere voor medicijnen, maar er loopt een rechtszaak over de aanbesteding van de leverancier van deze medicijnen, en zolang die rechtszaak loopt, is het geld bevroren en kunnen we er niets mee’. Gedurende de dag kom ik veel kinderen met uitslag tegen, jongeren met ontstekingen en mensen met chronische aandoeningen die op dit moment niet geholpen kunnen worden. ‘Als het uit de hand loopt, dan kunnen we mensen met een levensbedreigende aandoening naar een ziekenhuis laten overbrengen’ zegt de dokter verontschuldigend tegen mij.

Een vuilnisbelt

Als de lunch voorbij is ga ik even naar buiten om een sigaretje te roken en een rondje te lopen. De grond ligt bezaaid met plastic bekertjes waarin eerder vandaag de lunch is uitgedeeld. Het lijkt wel of iedereen er collectief  één grote vuilnisbelt van wil maken. Onze contactpersoon van het Rode Kruis vertelt me wat ze allemaal doen om mensen in andere kampen op te voeden. Wat ze vertellen om beter om te gaan met hygiëne. ‘Dagelijks geven we daar één op één lessen met producten en situaties, maar ook daar schijnt het nog niet aan te slaan’

Terwijl ik een rondje om het gebouw loop en er even verderop onrust ontstaat omdat mensen vanuit het pand al schreeuwende Niels proberen duidelijk te maken dat de afvalberg onder hun raam mensonwaardig is, raak ik in gesprek met een aantal jongens die op een geïmproviseerd kampvuurtje een maaltijd uit blik aan het maken zijn. Wederom hoor ik de verhalen van mishandeling en beroving door de Bulgaarse politie. ‘In Servië gebeurt dat allemaal niet, de politie daar is aardig, hier zijn we bang om de poort uit te lopen.’

Een vluchtelingenstroom kunnen we niet aan

‘Op dit moment vangt Bulgarije volgens mij ruim 5000 vluchtelingen op, heel veel groter is onze capaciteit hier ook niet’, zegt onze contactpersoon van het Rode Kruis. ‘Als we heel erg ons best doen, kunnen we misschien een plek bieden aan 15.000 man, maar een grotere vluchtelingenstroom kunnen we niet aan.’ Een dag voor mijn bezoek werd bekend dat de Europese Unie Bulgarije ruim honderd miljoen euro geeft voor de versterking van de grensbewaking en de opvang van meer vluchtelingen in de toekomst. Turkije dreigde afgelopen weken met het terugdraaien van de vluchtelingendeal met Europa. Dit zou kunnen betekenen dat de drie miljoen vluchtelingen die op dit moment in Turkije zitten, makkelijker doorgang krijgen naar Europa.

Buiten spelen kinderen, zodra ze de camera van Niels zien, komt er een glimlach op hun gezichten. Alsof problemen niet bestaan. De 21-jarige Guldar uit Noord-Syrië staart voor haar uit terwijl ze ons vertelt over haar dromen, op een dag zou ze graag journalist worden. Ze zit sinds zes weken in een kamp in Bulgarije. Bijna iedereen die ik spreek heeft net als Guldar een droom, maar voelt zich op dit moment hopeloos gevangen in een land waar geen van hen eigenlijk wil zijn. ‘Mensen haten ons hier’.

Ruim 200 illegalen in het kamp

Gisteren was er een controle in het kamp. Buiten de oorspronkelijke bewoners bleken er ruim 200 mensen illegaal te verblijven of eigenlijk in een ander kamp te moeten zijn. Met bussen zijn ze verspreid, terug naar hun oorspronkelijke kamp, of naar het detentiecentrum voor een eerste intake.

De hele foto reportage van Niels Wenstedt voor Hollandse Hoogte kun je hier terugvinden

Deel dit bericht:

About the author

Michel Spekkers

Michel Spekkers is een freelance onderzoeksjournalist, die het onrecht de grens over achtervolgt. Gaat een stapje verder en schuwt het extreme niet in zijn onderzoek naar corruptie, misdaad en geweld. Afgelopen jaren werkzaam geweest in onder andere Venezuela, Colombia, Curaçao, Turkije/Syrië, Oost Oekraïne en Europa.